Weten

Halve voorspellingen

Waarom zijn voorspellingen cultureel blind? Begin 1999 werd tijdens de rust van een basketbalwedstrijd van de Universiteit van Washington een tijdcapsule uit 1927 geopend. De oogst was een stapeltje vergeelde kranten, een dubbeltje, een studentenhandboek en een bouwvergunning. Het publiek was zwaar teleurgesteld.

Een dergelijke teleurstelling komt veel meer voor, stelt William E. Jarvis in zijn boek Time Capsules: A Cultural History. ‘Het is gewoon nutteloze oude rotzooi.’  Tijdcapsules ademen een soort pathos uit: ze laten zien dat de toekomst niet zo modern is als we dachten dat die zou zijn, en evenmin zo snel. Het verleden blijkt intussen niet zo radicaal van het heden te verschillen als we dachten.

Telescopische projectie

Nicholas Rescher schrijft in zijn boek Predicting the Future: ‘We neigen ernaar om als het ware door een telescoop naar de toekomst te kijken, waardoor we die vergroten en dichterbij brengen’. Zo zien we het verleden ook aan de andere kant van de telescoop, waardoor dingen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn, of sommige dingen helemaal uit het oog verliezen.

Deze visie is exact van toepassing op technologie. We beschikken niet over de vliegende auto’s die zijn voorspeld. Steenkool, merkt de historicus David Edgerton in zijn boek The Shock of the Old, was een grotere economische factor aan het begin van de 21e eeuw dan in 1900; stoom was belangrijker in 1900 dan in 1800.

“Terwijl Amazon experimenteert met levering door drones, worden hun producten in New York City vervoerd dankzij die 19e-eeuwse killer-app: de fiets”

Maar als het op cultuur aankomt hebben we niet de neiging om te geloven dat de toekomst heel anders zal zijn dan vandaag. Probeer uzelf eens voor te stellen in de toekomst. Waar denkt u dat u zult wonen? Welke kleding draagt u dan? Van welke muziek houdt u? De kans is groot dat die toekomstige persoon op uw huidige zelf lijkt. Dit is een voorbeeld van ‘projectiebias’: mensen denken dat hun toekomstige voorkeur op hun huidige voorkeur lijkt.

Einde van de geschiedenis

In een experiment werd aan mensen gevraagd hoeveel ze zouden willen betalen om over 10 jaar hun favoriete band te zien spelen; anderen werden gevraagd hoeveel ze nu zouden betalen om hun favoriete band van 10 jaar terug te zien. De deelnemers waren bereid aanzienlijk meer te betalen voor  een concert van hun favoriet over 10 jaar. Dit fenomeen werd door de onderzoekers het ‘einde-van-de-geschiedenis-illusie’ genoemd; mensen geloofden dat ze een kantelmoment hadden bereikt waarin ze hun authentieke zelf waren geworden. Francis Fukuyama’s essay uit 1989, ‘The End of History?‘, beschreef een soortgelijk beeld van de westerse liberale democratie als een soort eindpunt van maatschappelijke evolutie.

Deze vorm van toekomstdenken is ingebed in de wijze waarop wij ons de toekomst voorstellen. ‘Futurologie pakt bijna altijd verkeerd uit’, stelt de historicus Judith Vlaanderen, ‘omdat het zelden rekening houdt met gedragsveranderingen’. En, zegt ze, we kijken naar de verkeerde dingen, naar de manier waarop we naar ons werk gaan, in plaats van naar de manier waarop wij werken; naar technologie, in plaats van naar de manier waarop ons gedrag verandert als gevolg van technologie. Het blijkt moeilijker om te voorspellen wie we zullen zijn dan om te voorspellen wat we zullen gaan doen.

Onevenredige aandacht voor nieuwe technologie

Zoals iemand die honger heeft meer eten bestelt dan hij op kan, zo hebben futurologen de neiging te denken dat iets dat nu belangrijk is ook een grote rol zal spelen in de toekomst. En wat is vandaag de dag het meest opvallend? Dat is datgene wat nieuw is, ‘disruptief’, en wat gemakkelijk te doorgronden is: nieuwe technologie.

Zoals de theoreticus Nassim Nicholas Taleb schrijft in Antifragile, ‘besteden we meer aandacht aan dat wat veranderlijk is dan aan datgene wat wellicht een grotere rol speelt, maar niet verandert. We vertrouwen meer op water dan op mobiele telefoons, maar omdat water niet verandert en mobiele telefoons wel, zijn we geneigd te denken dat mobiele telefoons een grotere rol spelen dan ze in feite doen.

Het gevolg is is dat we ons beginnen af ​​te vragen hoe het leven mogelijk was voordat er enige technologie aan te pas kwam. Maar zoals de econoom Robert Fogel zegt: als de spoorlijn niet was uitgevonden, hadden we het economisch bijna net zo goed gedaan, maar dan met schepen en kanalen. Of we gaan ervan uit dat de moderne technologie op een wonderbaarlijke manier is voorbestemd in plaats van een gelukkig toeval. Instagram begon als een app in Yelp-stijl onder de naam Burbn, hieraan werden later foto’s aan toegevoegd. Ondertussen startte sms als een testkanaal voor korte berichten – want wie zou nu graag met kleine alfanumerieke toetsen willen knoeien in plaats van gewoon te praten?

Oud en nieuw 

Transport lijkt het boegbeeld te zijn van koortsig wensdenken, misschien omdat we reizen niet altijd prettig vinden (het lijkt niet voor niets op het woord ‘travail’). De vliegende auto, bijvoorbeeld, wordt volgens de voorstanders niet snel genoeg werkelijkheid, maar zij negeren tegelijkertijd de praktische problemen die het met zich meebrengt, zoals 3D-files in de lucht en sterftecijfers die waarschijnlijk hoger zijn dan die bij vervoer over de weg.

De ‘zelfrijdende auto’, zo wordt ons voorgespiegeld, zal de manier waarop we leven radicaal veranderen, waarbij we vergeten dat mensen in de loop van de geschiedenis altijd al hebben geprobeerd de dagelijkse reistijd binnen de perken te houden. Bewegende trottoirs moesten de stedelijke mobiliteit transformeren, maar nu, als ze tenminste werken, verplaatsen ze slechts passagiers op luchthavens, en langzamer dan op wandelsnelheid. Als we naar de toekomst van vervoer kijken, moeten we bedenken dat we vandaag de dag vooral bewegen dankzij ‘oude’ technologie. Terwijl Amazon experimenteert met levering door drones, worden hun producten in New York City vervoerd dankzij die 19e-eeuwse killer-app: de fiets.

Edgerton merkt op dat het op innovatie gerichte wereldbeeld – die ‘sexy apparaten die de wereld hebben veranderd’ – niet alleen iets zegt over de toekomst, maar ook over het verleden. ‘Het paard,’ schrijft hij, ‘heeft een grotere bijdrage geleverd aan de Nazi-invasies dan aan de V2’. We hebben meer aandacht voor de uitvindingen zelf dan voor het daadwerkelijke gebruik ersan.

“Een futuroloog merkte op dat in een film uit de jaren zestig over het kantoor van de toekomst de technologie precies voorspelde – de fax, bijvoorbeeld, maar iets flagrant miste: in het kantoor werkten geen vrouwen”

Op eenzelfde manier als onze focus op recente innovaties ervoor zorgt dat mensen het belang daarvan overdrijven (kijk maar naar de overdreven toekomst die Google Glass werd toegedicht), wordt onze blik op het verleden vervormd door vroegtijdig verouderende technologie. Het beeld van de nabije toekomst, zoals dat wordt geschetst in bijvoorbeeld Bladerunner, ontstaat niet door bijzondere technologie (de film toont een computer die stemmen herkent, terwijl Bell Labs al rond 1940 aan spectrografische analyse van menselijke stemmen werkte) maar zal eerder oud en nieuw vermengen. Films die de toekomstige wereld tonen zijn, zij het subtiel, niet overtuigend, zoals dat ook geldt voor historische films waarin de auto’s allemaal perfecte exemplaren zijn (omdat dat de enige zijn die het overleefd hebben). Vuil en verwoesting vormen net zo goed een deel van de toekomst als van het verleden.

Zeppelins en vliegreizen

In het door innovatie geobsedeerde heden neigen we ernaar de impact van technologie te overdrijven, niet alleen in de toekomst, maar ook in het heden. We hebben de neiging te denken dat we in een wereld leven die men zich enkele decennia geleden nog nauwelijks kon voorstellen. Het is niet ongebruikelijk dat iemand beweert dat mensen zich in het begin van de 20ste eeuw geen voorstellingen konden maken over onze transportmiddelen in 1950, een halve eeuw later. En toch vlogen er in 1900 zeppelins; een jaar eerder was de eerste voetganger in New York City al door een auto gedood. Was het idee van vliegreizen, of de gedachte dat de auto het leven op straat zou gaan veranderen, echt zo onvoorstelbaar – of is het alleen maar een vorm van modern chauvinisme dat wij neerkijken op onze hopeloos primitieve voorgangers?

‘Als we denken aan informatietechnologie vergeten we post, telegraaf, telefoon, radio en televisie’, schrijft Edgerton. ‘Wanneer we het online winkelen ophemelen, denken we niet aan de de postordercatalogus. ‘We lezen dat de film The Net al online bezorging van pizza’s liet zien, decennia voordat dat daadwerkelijk gebeurde, maar negeren de vraag of dat wel zo bijzonder was: het elektronisch communicatiemedium om real-time een ​ pizza te bestellen, is al sinds de jaren zestig in gebruik. In New York de metro nemen naar een café om daar een artikel te schrijven en deze elektronisch naar een redacteur sturen, is niet veel anders dan iemand in 1920 deed, met diezelfde metro, de coffeeshop van Roosevelt Brothers, en het telegram, zij het minder efficiënt. (Of dat al die efficiëntie helpt, of dat het iemand enkel maar meer laat werken voor lagere lonen, is een andere vraag). We verwachten meer verandering dan in de toekomst zal plaatsvinden, omdat we ons voorstellen dat onze levens meer zijn veranderd dan ze in werkelijkheid zijn.

Kwispedoor

In haar boek The Making of Home beschrijft Judith Flanders een voorwerp dat in 1662 in het dagboek van schrijver Samuel Pepys een ‘spitting sheet’ werd genoemd. Ze veronderstelt dat dit een blad was dat aan een muur bij een spuugbak was aangebracht om muren te beschermen. Het is een voorbeeld van wat ze ‘onzichtbaar meubilair’ noemt. En toch, omdat deze nauwelijks in de literatuur zijn beschreven en zelden in de kunst worden afgebeeld, is het gemakkelijk om over het hoofd te zien hoe normaal spugen was, zelfs in een beschaafde samenleving.

Flanders merkt op dat de Verenigde Staten reguleerden waar spugen was toegestaan ​​op treinen en in stations. Een conferentie van gezondheidsraden uit 1917 in Washington, D.C., schreef voor dat er ‘een voldoende aanbod van kwispedoors in treinstellen moet worden verstrekt’. Tegenwoordig zijn zowel het woord kwispedoor als het object zelf vrijwel verdwenen. Ze zijn niet verdwenen omdat dit een achterhaalde ‘technologie’ was, maar omdat ons gedrag is veranderd.

Hoewel het technologische verleden en de toekomst meer lijken te verschillen dan ze in werkelijkheid doen, lijken culturele verschillen soms curieus. Toen ze als als geschiedkundig adviseur bij de ontwikkeling van het videogame Assassin’s Creed betrokken was, moest Flanders de schrijvers er voortdurend aan herinneren het woord ‘gejuich’ uit het script te verwijderen, omdat men dat woord pas in de 20e eeuw ging gebruiken. De ontwikkelaars van het spel wilden weten wat men dan wel zei. ‘Ze konden zich niet voorstellen dat mensen meestal niets zeiden. Proosten, bijvoorbeeld, voordat je een drankje drinkt is zo gewoon voor hen, het is eigenlijk moeilijk te accepteren dat mensen eeuwenlang die behoefte niet hadden’.

“De zelfrijdende auto is er in zekere zin altijd al geweest. Maar de moderne cultuur is dat niet”

De historicus Lawrence Samuel noemde sociale vooruitgang de ‘achilleshiel’ van het futurisme. Hij meent dat mensen het motto van de historicus en filosoof Arnold Toynbee vergeten: ideeën, en niet technologie, zijn de oorzaak de grootste historische omwentelingen. Wanneer technologie mensen verandert, is het vaak niet op de manier die je zou verwachten. Mobiele technologie bijvoorbeeld, betekende niet het einde van de mobiliteit, maar versterkte juist het urbane levenspatroon. De wasmachine bevrijdde vrouwen van arbeid en had, zoals de sociale psychologen Nina Hansen en Tom Postmes stelden, een revolutie in man-vrouwrollen en relaties kunnen betekenen. Maar in plaats van emancipatie, leidde de acceptatie van deze technologie tot een nieuwe rol voor de (huis)vrouw. Vrouwen uit de middenklasse profiteerden niet van de vrijgekomen tijd of potentiële onafhankelijkheid. ‘In plaats daarvan namen vrouwen simpelweg het werk van hun personeel over.’

Haal het object uit de geschiedenis weg en je verliest het bijbehorende gedrag uit het oog. De projectie op de toekomst levert vaak een soortgelijk probleem op: het object staat op de voorgrond, terwijl de gedragseffecten buiten beschouwing blijven. De futuristische vindingen in de strip ‘De Jetsons’, zoals het persoonlijk straalmotortje op de rug waarmee iedereen pijlsnel door de lucht reist, het zgn. ‘jetpacking’, of een maaltijd in pilvorm leidden de aandacht af van wat er in wezen wel veranderde: het concept van een levenslange loopbaan bij één werkgever of het ritueel van de gezamenlijke gezinslunch.

Een futuroloog constateerde dat in een film uit de jaren zestig over het kantoor van de toekomst de technologie juist voorspelde – de fax, bijvoorbeeld, maar iets opvallends miste: in het kantoor ontbraken werkende vrouwen. Zelfrijdende auto’s uit de jaren 50 toonde gezinnen die al rijdend op de snelweg in hun auto’s met staartvin bordspellen met elkaar speelden. Nu, zo’n 70 jaar later, verwachten we dat de geautomatiseerde auto eenvoudigweg de uitbreiding van de werktijd mogelijk zal maken. De zelfrijdende auto is in zekere zin altijd een gegeven geweest. Maar de moderne cultuur is dat niet.

Cultureel status quo

Zijn culturele veranderingen dan zo moeilijk voorspelbaar? We hebben we lang de neiging gehad te vergeten dat onze cultuur wel degelijk verandert. We zijn geneigd uit te gaan van de status quo. ‘Tot voor kort legden we uit waarom dingen hetzelfde bleven, niet waarom ze veranderden’, merkt de socioloog Kieran Healy op. Het begrip ‘cultuur’ stond voor een monolithisch blok van normen die we nu eenmaal koesterden en aan aan elkaar overdroegen. We verklaarden tradities heilig en cultuur werd hooguit gezien als iets dat individuen in de weg stond.’

En wanneer de cultuur verandert, kunnen de gebeurtenissen die zich voordoen snel en verrassend willekeurig en klein zijn. Zoals Charles Duhigg beschrijft in The Power of Habit, is de opkomst van de homorechten één van de belangrijkste sociaal-culturele ontwikkelingen. In de bibliotheek van het Amerikaanse Congres wordt deze ontwikkeling geïllustreerd door boektitels van ‘Abnormale seksuele relaties, waaronder seksuele misdaden’, tot ‘Homoseksualiteit, lesbische relaties – homobevrijding, de homobeweging’. ‘Deze ogenschijnlijk kleine verandering maakte de weg vrij voor andere, grotere veranderingen (een jaar na het verschijnen van dit laatstgenoemde boek stopte de American Psychiatric Association homoseksualiteit als een geestesziekte te definiëren). Duhigg: ‘Kleine verbeteringen vormen niet een net recht ontwikkelingspad waarbij elke stap duidelijk een vooraf bepaald doel dichterbij brengt.’

Over de toekomst kunnen we hetzelfde zeggen.

 

bron: Tom Vanderbilt (Nautilus)

Onbeperkt Tijdschriften lezen

Nieuwsbrief ontvangen?

Blijf op de hoogte van de laatste Upside berichten.


Advertentie

  • Cadeauwinkel
  • Samoon NL 300x250